Brandweer Deurne

Als actief vrijwilliger hier een stukje verhaal over de Brandweer van Deurne: ( BrandweerDeurne Website )

De brandweer van Deurne was al eeuwenlang actief voordat die in 1932 formeel werd opgericht.

In 1923 werd in de gemeente Deurne het brandweerwerk ondergebracht bij de afdeling Openbare Werken. De technisch ambtenaar werd daarbij benoemd tot beheerder van de brandweer. Er waren toen vrijwilligers die oproepbaar waren.

De provincie was niet tevreden met de gebrekkige situatie in Deurne, hetgeen in 1932 resulteerde in de formele oprichting van een brandweerorganisatie.

Er werden een commandant, een administrateur en een aantal vrijwilligers benoemd. Met de aankoop van een open manschappenwagen met daarachter een motorspuit op massieve banden werd de Deurnese brandweer dat jaar gemotoriseerd. Maar er kwamen meer veranderingen. Zo ontwierp toenmalig commandant Kees van den Broek zelf een motorspuit, die het jaar daarop werd aangeschaft en een onderkomen vond in Deurne.

De open manschappenwagen werd halverwege de Tweede Wereldoorlog van een dak voorzien en voortaan in Liessel gestationeerd. Daar had men eveneens de beschikking over een draagbare motorspuit. Deurne schafte toen een trekker, tevens manschappenwagen aan die ook was ontworpen door commandant Van den Broek. Het voertuig werd in 1943 gebouwd op een chassis van een Chevrolet dat van een boer was gekocht. Drie jaar later kwam er een Austin-bellenwagen bij.

In alle kerkdorpen waren verder slangenwagens voor achter de fiets, die tot 1964 operationeel waren. In 1951 werd met de aankoop van drie GMC-legerwagens gestart met de vervanging van het rijdend materieel. Er kwam een tweede bellenwagen bij. Het materieel werd verdeeld over de kernen Deurne, Liessel, Neerkant en Helenaveen. In 1963 werd in Deurne een droogpoederwagen geplaatst. Het jaar daarna werd een groot deel van het rijdend materieel vervangen, net als in 1981, 1998, 1999 en in 2000.

In verband met een reorganisatie van de gemeentelijke brandweer werden de groepen Liessel en Helenaveen per 1 mei 1964 opgeheven.

Joost van den Broek (1961) is tegenwoordig brandweercommandant. Aangezien zijn vader en grootvader hem als zodanig voorgingen is deze functie daarmee sinds 1932 een familieaangelegenheid.

Brandweer van Liessel

De georganiseerde brandweer van Liessel heeft lange tijd als zelfstandige eenheid bestaan.

In het brandreglement van de gemeente Deurne en Liessel, dat op 13 oktober 1860 werd vastgesteld, was in artikel 24 bepaald dat er ook in Liessel een brandspuit, enige handspuiten, emmers en haken aanwezig moesten zijn. Daar was ook bepaald dat de brandspuiten en verdere blusmiddelen moesten worden bestuurd door een opperbrandmeester, twee brandmeesters en twee brandspuitmeesters voor iedere spuit, alsmede een aantal brandweerlieden die door het gemeentebestuur moesten worden aangewezen.

De brandspuit en later de brandweerwagen stonden op het adres Monseigneur Berkvensstraat 3 en vanaf 1963 op Monseigneur Berkvensstraat 3a.

Garagehouder Cor van Oosterhout was chauffeur van de brandweerauto tot 1964. Het kwam vaak voor dat kapelaan Van den Heuvel bij een brandalarm de brandweerwagen, om tijd te winnen, vast uit de garage reed.

De eenheid werd per 1 mei 1964 opgeheven.

Brandweer van Vlierden

De Vlierdense brandweer was tenminste vanaf 1732, toen het brandreglement van kracht werd, in georganiseerd verband actief.

In 1754 werden door de heerlijkheid Vlierden bij de Veghelse gareelmaker Gerard Coolen zes nieuwe brandemmers en drie nieuwe vuurhaken aangeschaft. In ieder gehucht was tenminste één brandkuil. De grote brandkuil voor het centrum van Vlierden was op de plaats waar nu het kruisbeeld staat op de hoek van de Vlierdenseweg en de Kapelweg. Deze brandkuil was voorzien van een omheining om ongelukken te voorkomen.

Wie de feitelijke leiding bij de brandbestrijding had is niet duidelijk. Waarschijnlijk was een en ander ook niet strikt geregeld. Degene die het eerste bij de brand was begon met blussen en schreeuwen en de anderen volgden zijn voorbeeld. Als de brand bedwongen was zetten de vrijwillige brandweerlieden hun bluswerkzaamheden voort in een van de herbergen. Hadden zij rampen weten te voorkomen door belendende panden nat te houden, aan het redden van een brandend huis hoefde men meestal niet te denken, dan kwam hun vertering soms gedeeltelijk ten laste van de dorpskas.

Vanaf 1909 werden regelmatig registers bijgehouden over de samenstelling van het vrijwillige brandweercorps in de inmiddels gemeente Vlierden en Brouwhuis. In de periode 1900-1921 waren achtereenvolgens opperbrandmeester Piet Rovers, Jan Verstappen, Francis Verstappen, Lambert Janssen, Peter Welten en Martinus Fransen. In Brouwhuis had Hendrik Swinkels de leiding bij de brandbestrijding.

brandspuit

In 1791 kreeg Vlierden, op voorstel van schoolmeester en secretaris Antonie Ramaer, een echte brandspuit. Bij de aanschaf ervan werd ook meteen een huisje gebouwd om het apparaat in op te bergen. Huibert Rovers en Antonie Vervoordeldonk werden verantwoordelijk gesteld voor het onderhoud van de brandspuit die het lang schijnt te hebben volgehouden want pas in 1888 kocht Vlierden voor 150 gulden een nieuwe tweedehandse brandspuit van de gemeente Helmond.

Brandspuithuisje

Op dit detail van een kaart uit circa 1881, gemaakt bij de aanleg van de weg van Asten naar Deurne (rood 30-31) is nr. 194 het oude raadhuis. Het raadhuis van 1902 werd verder naar voren gebouwd. Nr. 193 is het oude brandspuithuisje. Nr. 190 was Herberg De Zwaan.

Ook het brandspuithuisje hield het lang vol. Toen het gebouwtje begin 20e eeuw gedeeltelijk het gezicht ontnam aan het nieuwe raadhuis, waarop men in Vlierden zo trots was, werd in 1904 besloten om het inmiddels zeer bouwvallige hokje te verplaatsen. Metselaar Nooijen begrootte de bouw van het nieuwe huisje achter het raadhuis op 76 gulden. De gemeente moest een stukje grond aankopen van Felix van Heugten om een voldoende brede toegangsweg naar het huisje te hebben.
Ook in Brouwhuis kreeg men rond de eeuwwisseling de beschikking over een eigen brandspuit en de brandweerlieden in beide kernen werden door burgemeester en wethouders regelmatig opgeroepen om in hun aanwezigheid oefeningen te houden.

Brandreglementen

In 1732 werd door de overheid bepaald dat in ieder dorp een reglement moest worden opgesteld en nageleefd. De benodigde spullen ter bestrijding van brand, zoals ladders en emmers, werden toen aangeschaft en vernieuwd. Op 2 november 1734 gingen de Vlierdense schepenen met een eigen brandreglement accoord. Het waren niet alleen maar gebods- en verbodsbepalingen die de brandpreventie moesten bevorderen. Zo werd voor het aanbrengen van de brandspuit bij de plaats van onheil een premie van 5 gulden in het vooruitzicht gesteld.
Men kon de verordeningen ter voorkoming en het blussen van brand maar beter serieus nemen. De veldwachter had orders om op de naleving ervan toe te zien. In 1817 werden Jacob de Groot, Huibert Rovers en Francis van Bussel ieder beboet met 6 gulden omdat zij hun asresten niet ver genoeg van hun huis hadden gestort.
Ook de waterputten en putkisten moesten in orde zijn, bij brand moest men snel water ter beschikking hebben. Dirk Jacobs werd in 1817 beboet omdat hij zijn putkist onvoldoende had onderhouden.
Zelfs werd in de huizen gecontroleerd of men de schoorsteen goed geveegd had. In 1849 en 1850 moesten Hannes Dekkers, Hannes Clerks, Maria Martens en Lucas Slegers in opdracht van de gemeente hun schoorstenen vegen. Sibylla Cleven en Johanna Maria Dekkers kregen in 1872 een proces-verbaal omdat ze de brand-reglementen overtraden.

In 1921 werden door de gemeente maatregelen genomen om de kans op bos- en heidebrand te verkleinen. Het werd verboden om in de dennenbossen en op de heide sigaren, sigaretten of pijpen zonder goed sluitende dop te roken. Ook moesten hooi- en stromijten, die na blikseminslag of ten gevolge van broei nogal eens in brand vlogen, op voldoende afstand van huis of schuur geplaatst worden.

Rijksbrandweer

De Rijksbrandweer, later ook wel aangeduid als Brandweerpolitie afdeling Nederland en de Staatsbrandweerpolitie, had naast compagnieën die gelegerd waren in Baarn, Den Haag, Rotterdam en Winterswijk ook een afdeling in Deurne, vanwege de ligging dicht bij het Ruhrgebied.

De afdeling ‘Brabant’ – gelegerd in Deurne en Winterswijk – telde 599 mannen. Bij de bevrijding van Deurne in september 1944 viel het korps uiteen. Het korps bestond bijna geheel uit Nederlanders, met enkele Duitse officieren in de hogere echelons. De meesten waren gedemobiliseerde Nederlanders, die dachten brandweerman te worden en daarmee konden voorkomen tewerk te worden gesteld in Duitsland. Ze kwamen bedrogen uit.

Voor wat betreft Deurne is nu bekend, dat men (waarschijnlijk) op de volgende locaties gelegerd was:

  • Huize (Villa) Petersburg, waar later de panden Stationsstraat 11 t/m 19 verschenen, was bestemd voor staf en leiding.
  • De Sint-Josephschool (voor jongens) aan de (latere) Kloosterstraat was ingericht voor huisvesting van de manschappen.
  • In de stroschuur van de Boerenbond aan de Vlierdenseweg, nabij de Vlierdense overweg, was de stalling voor de ongeveer dertig brandweerauto’s.
  • In het Klein Kasteel, Haageind 60 zat de leiding van de afdeling.
  • Het pand op adres Kloosterstraat 1 was ingericht als kantoor van de Feuerschutzpolizei.

Van de inzetten van de afdeling ‘Brabant’, gedetacheerd in Deurne, is weinig bekend. Bekend zijn berichten van een ongeval op dinsdag 7 maart 1944, waarbij een auto van het korps betrokken was en in brand vloog en van enkele branden in Deurne (stro-opslag), Helenaveen (heidebrand) en Liessel waarbij men geassisteerd heeft (of in ieder geval aanwezig was).

Toen bekend werd dat men in Duitsland zou worden ingezet doken op 2 februari 1944 één, en op 5 februari 1944 nogmaals achttien leden van de Feuerschutzpolizei-Abteilung “Brabant” Deurne onder, de meeste zonder uniform, zo staat het te lezen in de “Nachweisung der flüchtige Angehörigen der Niederländischen Polizei” (beschrijving van de voortvluchtige leden van de Nederlandse politie) van 1 mei 1944. Zij riskeerden echter de doodstraf of opsluiting in strafkampen als zij gepakt werden. Onder hen was Thomas Wouterus (Tom) de Vries (1921-1945) uit Haren, hij was sinds 16 augustus 1943 in dienst bij de eerdergenoemde afdeling. Tom meldde zich vrijwillig, op 28 juli 1944, aan het politiebureau te Wageningen nadat hij te horen kreeg dat er in de omgeving van zijn huisadres (de Oude Bennekomseweg in Haren) naar hem gezocht werd. Hij werd overgebracht naar de Sicherheitsdienst (SD) in Arnhem en kwam via Kamp Vught en Concentratiekamp Ravensbrück uiteindelijk in KZ-Außenlager Klinkerberg (een buitenkamp van concentratiekamp Oranienburg) terecht waar hij op 10 april 1945 overleed tijdens een bombardement.

Of men ook daadwerkelijk is ingezet bij veel grote oorlogsbranden is niet bekend, hoewel vaststaat dat men op 22 februari 1944 heeft meegeholpen na het bombardement van Nijmegen. Wel zijn er bedankjes bekend voor de hulpverlening na bomaanvallen op Essen, Aken, Wesel, Kleef en Emmerich (maar of dit de in Deurne gelegerde eenheid betrof is niet duidelijk) en er is sprake van dat men operationeel was vanuit een bivak in Bochum. De dienst in Duitsland vormde voor velen aanleiding de dienst te ontvluchten.

Er was vanuit de vrijwillige brandweer van Deurne rivaliteit met de rijksbrandweer. Bij het uitrukken na een neergehaald vliegtuig probeerden de vrijwilligers er als eersten bij te zijn. Zo was men eens als eerste bij een neergehaald geallieerd vliegtuig op Vreekwijk en de vrijwillige brandweerlieden beschouwden dat als een overwinning op de beroepskrachten van de rijksbrandweer.

Op 14 december 1943 nodigde de commandant der II. Brandweerpolitieafdeeling Nederland, de kapitein H. Bresser, vanuit huize Petersburg de burgemeester van Deurne uit tot het bijwonen van een cabaretavond op vrijdag 17 december 1943 van de 1e en 3e Compagnie in Bio Vink. De burgemeesters antwoordde twee dagen later kortweg dat hij niet aan de uitnodiging kon voldoen.